Omdat ik later niet van de therapeut van Tijmen (bijna 2) op mijn flikker wil krijgen dat ik hem niet zorgeloos de wereld heb laten ontdekken omdat ik hem liever verstikte in liefde, waardoor hij gedreven werd tot allerhande verdovende middelen en levenslang ongeluk, doe ik altijd mijn best om een beetje cool afstand te houden. Met een krant doe ik vanaf een bankje alsof ik hem zijn gang laat gaan, terwijl ik hem ondertussen als een havik in de gaten houd, klaar om toe te springen als dat nodig is.
Zo niet de speeltuinkleefmoeder. De speeltuinkleefmoeder kleeft zo dicht mogelijk achter haar kind aan, waardoor de speeltuin niet alleen bevolkt wordt door peuters, maar ook door moeders. Ze drentelt achter haar kind aan naar de wipkip, gaat achter de wipkip staan als het kind wipkipt, begeleidt hem naar het klimhuisje, legt uit hoe het klimhuisje beklommen moet worden, tilt hem er op en vervolgens weer af, zet de achtervolging in naar de zandbak, doet een demonstratie zandscheppen, passeert bij de glijbaan een collega-kleefmoeder, vertelt haar kind dat het hallo moet zeggen tegen het andere kind en zegt dan zelf hallo tegen het andere kind, houdt handen onder de billen van kind als hij de glijbaan op klautert en volgt het stukje omlaag alsof beneden de dood wacht.
En ik zit op het bankje en kijk naar Tijmen, die gillend naar de wipkip rent en er behendig op klimt. En als ze haar kind op het andere zitje van de wipkip helpt en vraagt: ‘Wil je met dat kindje op de wipkip? Ja? Zeg maar: hallo, kindje!’ denk ik: Laat! Dat! Kind! In! Godsnaam! TOCH! GEWOON! OP! DIE! WIPKIP!! Want hoe erg is het als hij een keertje valt?
Oké, voordat u mij Joseph Jackson gaat noemen: ik bedoel van het eerste treetje van de glijbaan, bijvoorbeeld. En dan met van die rubberen knuffeltegels eronder. Als Tijmen op één been bovenop een klimrek balanceert, ben ik de eerste die erbij is. Zo snel dat u het niet zag, omdat u net even met uw ogen aan het knipperen was. Maar dat eerste treetje, dat mag hij van mij zelf nemen. En het tweede ook.
En ja, Tijmen valt van het eerste treetje. Op de rubberen knuffeltegels. Hij schrikt, huilt een halve minuut op volle kracht en rent daarna vrolijk gillend naar de wipkip. Vier kleefmoeders kijken mij aan alsof ik een verachtelijk loeder ben. En kleven dan weer verder, naar glijbaan, zandbak, schommel en klimhuis.
Deze column stond in Drift 3, 2009.